Han Hoogerbrugge: ‘Interactiviteit doet iets met mensen’

Dit lange interview met Han Hoogerbrugge maakte ik september 2012 voor Dzone 141.

Han Hoogerbrugge is tekenaar, illustrator, kunstenaar en schilder. Hij begon heel vroeg op internet met animaties, en al snel interactieve animaties, maakte het inmiddels tot cultstatus uitgegroeide Hotel en illustreert naast zijn dagelijkse ProStress elke week voor de Volkskrant en regelmatig voor Vrij Nederland. Hij had begin dit jaar een succesvolle tentoonstelling in Rotterdam. Dzone sprak met hem over de oorsprong van zijn werk, over Flash, over lesgeven aan de Willem de Kooning Academie en zijn manier van werken.

Je hebt als opleiding Willem de Kooning gedaan. Schilderen en niet illustratie. Was dat een bewuste keuze?
Han Hoogerbrugge: ‘Ik ging naar de academie om te gaan schilderen, ik heb het nooit specifiek gekozen. Ik heb daar niet rondgekeken en toen gedacht: ik ga voor schilderen. Het was in die tijd een beetje zo dat als het niet met schilderen lukte, je illustratie ging doen. Het maakt in feite niet zoveel uit. Je hebt heel goede illustratoren en heel goede schilders. Ik denk dat je ook prima in beide gebieden actief kunt zijn, zonder dat je dat schaadt. Het gaat tegenwoordig eerder over “beeldmakers” dan illustratoren. De grenzen worden steeds vager.’

Wat was je inspiratie toen je op de academie zat?
Han: ‘David Hockney, Rob Scholte, die bekend werd toen ik op de academie zat, en veel van de Duitse schilders uit die tijd. En wat klassiekers, zoals Francis Bacon.’

Wat maakte je toen?
Han: ‘Heel abstracte schilderijen, vlakken met streepjes. Heel formele dingen. Ik ben pas na de academie weer wat realistischer dingen gaan doen. Ik heb eindexamen gedaan met objecten, en die waren abstract. Na de academie maakte ik zeefdrukken, met wat meer herkenbare beelden. Ik wilde in 1996 een album maken met tien situaties en dat als een soort zelfportret presenteren, een stripboek als zelfportret. Het was een eenmalig ding, maar ik ben er nooit meer vanaf gekomen. Dat was twee jaar voordat de eerste animaties op internet kwamen.’

Hoe werkte je in die tijd?
Han: ‘Ik maakte foto’s van mezelf in situaties die ik wilde tekenen en die trok ik over met de fineliner. Ik zette ze in Quark XPress bij elkaar. Nu werk ik nog hetzelfde, maar gebruik ik een videocamera in plaats van een fotocamera. Ik haal de benodigde stills uit de video, die print ik en ik trek ze dan weer over. Vervolgens scan ik het, breng ze in Flash en daar doe ik Trace-bitmap, zodat het een vectorbestand wordt. Dan verandert meteen de lijn: je krijgt een wat meer cartoonachtige lijn. Ik werk makkelijk in Flash. Het is natuurlijk jarenlang, dag en nacht, mijn gereedschap geweest, nog steeds eigenlijk.’

Wanneer zag je voor het eerst internet?
Han: ‘In ‘98 ben ik met Modern Living begonnen en het jaar daarvoor ben ik online gegaan. Ik moest er gewoon op. De eerste keer vond ik het vreemd. Heb ik dit nu op mijn computer? Heb ik dit binnengehaald? Ik kon eigenlijk niet geloven dat het gelukt was. Het was natuurlijk veel ingewikkelder dan nu, met je modem en allerlei dingen die je moest instellen. Met dat geluid van het modem als dat verbinding zocht – griiiistsjjjj – en dan was je in gesprek en kon niemand je bellen. Ik kon ook niemand mailen, want niemand had toen mail. Het was ook een dure grap, met de telefoonrekeningen.

‘De gif-animatie dicteerde dus voor een deel ook de vorm!’

Toen ik online was gegaan maakte ik ook meteen een site. Een achtergrondplaatje en een linkje erbij. Ik kom uit de punktijd en had vroeger ook zelf blaadjes uitgegeven, dus het was onwaarschijnlijk leuk om daar zelf een blaadje op te maken zonder het gedoe van stencils en vriendjes die niet mee wilden werken. In eerste instantie zette ik de strips erop: een vel papier, maar dan online. Op een gegeven moment kwam ik de gif-animatie tegen en dat werkte hartstikke gaaf. Je maakte een mapje met daarin de plaatjes die in de animatie moesten komen, genummerd op volgorde, en dan koos je die map in het programma GifAnimator, en gaf je aan hoeveel keer de animatie moest “loopen”. Klaar was je. Meer kon je niet doen. Ik dacht: als het zo simpel is, waarom ga ik dan geen echte animaties maken? Ik ben kleine scènes, kleine situaties gaan bedenken, die leuk waren om naar te kijken. Ik kon het op dezelfde manier maken als die strip. Omdat alles nog met het modem was, wilde ik het zo klein mogelijk maken. Het streven was 40 kB of zo. Ik kwam erachter dat bij gif-animaties gekeken wordt naar de verandering van de pixels. Dus als je een plaatje hebt, kijkt het volgende plaatje naar alle pixels die zijn veranderd; die veranderde pixels kosten je kB’s. Als ik een wit overhemd tekende met een borstzakje en allemaal details, was die animatie ineens heel erg zwaar, soms wel zes keer zo groot. Als ik dan het hemd alleen maar zwart maakte, was het bestand ineens een heel stuk kleiner. Voor mij was toen meteen duidelijk: ik moest een zwart pak, geen details meer, alles om het klein te houden. De gif-animatie dicteerde dus voor een deel ook de vorm! Na een stuk of zeventien van dat soort animaties ben ik overgestapt op Flash.’

_DSC0587

Wanneer ben je met Flash begonnen?
Han: ‘Er was een project bij de VPRO – Lifesavers – en daar wilde ik graag aan meedoen. Ik meldde mezelf aan. Ze stonden daar niet echt om me te springen. Ik heb vaak terug moeten bellen. “Jaja, we denken er nog even over na…” Maar uiteindelijk kon ik aan de gang. Ze wilden alleen geen gif-animaties. Er moest meer interactiviteit in de animatie komen, dus ik werd gedwongen met Flash te gaan werken. Ik had het al een tijdje liggen, maar kwam er niet toe om me erin te verdiepen. Dat was dus de switch naar Flash, en toen veranderde er een hoop.’

Zoals?
Han: ‘Interactiviteit maakt natuurlijk ontzettend veel uit. Het verschil tussen een filmpje ondergaan en zelf iets kunnen doen – hoe lullig het ook is – is een wereld van verschil. Als je ergens op kunt klikken: dat maakt het verschil. Interactiviteit doet iets met mensen. Als je ergens op kunt klikken, ben je er meteen bij betrokken, ook al is het iets heel simpels wat je doet. Als je een lineair filmpje maakt waarbij iets gebeurt – iemand valt bijvoorbeeld – dan moet jij plannen wanneer dat gebeurt. De maker bepaalt wanneer het moment is. Maar als je iemand laat lopen en die valt pas als je erop klikt, dan bepaalt degene die klikt de timing en die klopt dan altijd. De gebruiker is eraan toe om iets te laten gebeuren.’

‘In Hotel zitten zoveel mooie dingen, tegelijkertijd is het ook zo faliekant mislukt…’

In Hotel gebeurde wel meer.
Han: ‘De mensen die bij de VPRO Lifesavers hadden gemaakt, vroegen me later of ik een verhaal wilde maken. Dat werd Hotel. Hotel moest een soort interactieve soap op het web worden, met meerdere hoofdstukken en meerdere karakters. Dat was het streven, maar eigenlijk is het geworden wat ik altijd deed: korte animaties van iemand die iets raars doet. Dat leidt af van het verhaal. In Hotel zitten zoveel mooie dingen, tegelijkertijd is het ook zo faliekant mislukt… Maar ook weer niet. Sommige dingen die mislukken, zijn ook heel mooi omdat ze mislukken. Het is mislukt in de zin dat het weinig continuïteit heeft, je hebt niet het gevoel dat je het verhaal ingetrokken werd, terwijl dat wel de bedoeling was. Er zijn nu teveel afleidende zaken, waardoor je het niet meer volgt. Het is heel goed dat het mislukt is. Als het heel goed gedaan was, was het misschien niet zo leuk geweest. Hotel is inmiddels een cultding geworden. Onlangs was er iemand die een podcast online had gezet waarin hij Hotel besprak. Het werk is uit 2004, maar mensen blijven het nog steeds ontdekken en er van alles van vinden. Het is geen echt mislukt werk. Het is anders geworden dan we bedoelden. Bij een lezing laat ik het er dus meestal buiten, maar ik krijg vaak toch een vraag of ik iets meer over Hotel kan vertellen. En dan denk ik: shit!’

We praten over de presentaties die hij doet, zoals onlangs voor FITC in Amsterdam. Presenteren gaat hem makkelijk af, ook voor techneuten als die van FITC.
Han: ‘Ik heb het geluk dat mijn werk humoristisch is. Als ik één of twee filmpjes heb laten zien, is de zaal ontspannen. Bij zo’n techneutenfestival hebben ze meestal een hele dag achter de rug van goed opletten, en bij mij kunnen ze dan even lachen. Verder willen de mensen eigenlijk altijd hetzelfde weten: waar ik mijn inspiratie vandaan haal en hoe ik mijn animaties maak.’


Bovenstaand werk ©Han Hoogerbrugge.

Wat vertel je over je inspiratie?
Han: ‘Ik zeg altijd dat het van alles is. Ik heb niet een bepaald iets. Voor een deel is het duidelijk uit de verwijzingen in mijn werk: David Lynch, die zit al in ProStress. Tarantino ook. Maar voor de rest is het een aaneenschakeling van dingen die ik zie, die me opvallen. Neem deze prachtige, waanzinnige foto uit de Volkskrant van een rechtszaal in Rusland waar twee jongens in een kooi zitten. Wat ik daarmee ga doen? Ik heb niet specifiek het idee dat ik er iets mee ga doen. Dagelijks valt mijn oog op dingen waar ik dan even bij stilsta. Dat zijn mijn inspiratiebronnen. Ken je het werk van Arnoud Mik? Dat is een Nederlandse kunstenaar die video’s maakt. Het zijn allemaal fictieve dingen, maar het ziet er allemaal realistisch uit. Hij had een rechtszaak met een Berlusconi-achtige persoon. Er zit geen geluid bij, je herkent het, maar het is heel raar. Dit beeld uit de Volkskrant deed me er erg aan denken. Ook omdat die kooi er staat. Het is zo bizar, dat het bijna niet echt kan zijn, maar het is het dus wel.

‘De tentoonstellingen die ik inmiddels heb gehad, voelen als een soort erkenning’

Je hebt inmiddels een publiek gekregen. Heeft dat je werk beïnvloed?
Han: ‘Ja, er verandert best wel wat, maar het is moeilijk om aan te geven wat precies. Als ik aan het werk ben denk ik er eigenlijk nooit over na. Ik ben me er wel van bewust dat veel mensen het kennen; 80 procent van de mensen die bij de opening van de tentoonstelling in Rotterdam waren, ken ik niet. Later was er een avond waar ik anderhalf uur geïnterviewd werd. De hele zaal zat vol met mensen die ik niet kende. Dan krijg je dus steeds meer het idee dat er veel mensen zijn die je werk leuk vinden, zelfs zo dat ze het er voor over hebben om naar zo’n avond toe te komen. Dat doet wel wat met je, maar ik kan moeilijk zeggen wat het precies is. Omdat mijn werk altijd op het web is gepubliceerd, staat het een beetje los van alles. Ik kan het niet verkopen, het komt ook niet in een museum, want het is online al door iedereen te zien. De tentoonstellingen die ik inmiddels heb gehad, voelen als een soort erkenning, die ik op een andere manier wel altijd gehad heb, maar nu in een formelere vorm.’

Hoe verdien je je geld? ProStress op het web is gratis…
Han: ‘Met commerciële opdrachten, zoals voor de Volkskrant. Van wat ik online doe kan ik niet eten. Met ProStress kan ik mijn geld niet verdienen. Van het album dat ervan gemaakt is, zijn de inkomsten ook niet gigantisch. Tenzij er meerdere drukken komen, maar mijn publiek is daar niet groot genoeg voor. Maar de opdrachten gaan gewoon door. Ik maak elke dag wel ProStress, maar dat is maar één ding; ik heb tijd genoeg voor andere dingen.’

Er zijn stripmakers die voldoende hebben aan een dagstrip die je in verschillende kranten plaatst. In Nederland is de striptraditie in de kranten helaas bijna helemaal weg…
Han: ‘Zoiets zou ik heel graag doen. Dat mijn werk gewoon in bladen terechtkomt. Ik zou graag een strip voor een krant willen maken. Een strip die je over de hele wereld zou kunnen gebruiken, dat zou ik graag willen, met ProStress. Ik wil dat ProStress een combinatie is van alles. Soms is het heel melig, soms onbegrijpelijk, soms is het misschien niet eens een grap.

‘Prostress is de cartoonstrip 2.0, die meer biedt dan bijvoorbeeld Peanuts’

Het is de cartoonstrip 2.0, die meer biedt dan bijvoorbeeld Peanuts. Het is wel gebaseerd op dat format, in die drie plaatjes moet je iets kunnen neerzetten, maar het hoeft niet een haha-grap te worden. Daardoor nemen bladen het misschien ook weer niet zo snel op. Het heeft bij die kranten natuurlijk ook met geld te maken. De Engelse strips in Het Parool zijn ongetwijfeld erg goedkoop, omdat ze wereldwijd zoveel verkocht worden. Zoiets zou voor mij ook ideaal zijn, als je het op tien plekken tegelijk zou kunnen publiceren…’

Je hebt het inmiddels wel zo druk dat je een manager hebt.
Han: ‘Je denkt natuurlijk meteen aan de foute managers uit de muziekindustrie, maar zo is het niet. Het is iemand die me bijvoorbeeld ‘s morgens nog even zegt: er komt vandaag iemand van Dzone voor een interview. Of die de mailtjes van FITC afhandelt. Voor die lezing zijn er wel een stuk over 25 mailtjes heen en weer gegaan: voor een persbericht, voor de technische uitrusting, van alles en nog wat. Ik heb een paar dingen op de tv gedaan naar aanleiding van de tentoonstelling in Rotterdam en dan willen ze fragmenten van wat je hebt gemaakt. Het is natuurlijk weer niet in het formaat dat zij aankunnen, enzovoort. Allemaal kleine dingen, maar als je ze optelt, heb ik per dag nog maar een halve dag voor mijn werk.’

Ik begreep dat je inmiddels op de Willem de Kooning Academie lesgeeft. Wat precies?
Han: ‘Ik geef illustratie, het onderdeel Concept. Ik ben er dit jaar begonnen.’

Wat vertel je je leerlingen?
Han: ‘De academie geeft aan wat er verwacht wordt van het vak Concept. Het gaat over zelfstandig nadenken en zelfstandig beslissingen kunnen nemen over je eigen werk. Dat je met reden bepaalde dingen doet en waarom dat is. Het belangrijkste is dat je leert kijken naar je eigen werk en het kunt beoordelen, dat je begrijpt wat je doet. Daar verzin ik dan opdrachten bij.’

‘Het belangrijkste is dat je leert kijken naar je eigen werk en het kunt beoordelen, dat je begrijpt wat je doet’

Gaat je dat heel natuurlijk af?
Han: ‘Ja, god… redelijk denk ik wel. Het is net als bij die presentaties. Ik denk niet dat ik een doorsnee presentator ben en ik ben ook geen doorsnee lesgever. Ik sta daar natuurlijk met de achtergrond van mijn werk. Dus als ik niet zo erg duidelijk ben, klopt dat ook met mijn werk. Ik heb ook niet de neiging om mijn werk helemaal uit te leggen. Dat is met lesgeven ook zo. Voor een deel moet je het zelf uitzoeken. Het moet ook een beetje een mysterie blijven. Ik kan niet zeggen: als je het zo en zo doet, komt het allemaal goed. Het vak Concept is een onderdeel dat heel moeilijk is over te brengen. Het ontglipt je zelf ook voortdurend. Je kunt niet precies uitleggen wat iets nu goed maakt. Aan de hand van een opdracht aan vijftien mensen kun je wel dingen proberen duidelijk te maken. Bij zo’n opdracht krijg je vijftien verschillende dingen terug, vijftien verschillende visies op iets. Het is het allerbelangrijkste dat je bij elkaar zit en ziet dat iemand bijvoorbeeld helemaal niet uit een opdracht komt. En dan zie je iemand anders die er heel veel mee kan. Het is fascinerend dat iets wat jou totaal geen input geeft, voor een ander een enorme wereld opent. Daar kun je van leren. Behalve dat je iets gedaan hebt wat je in de opdracht werd gevraagd, moet iets erbij komen wat het uiteindelijk meer maakt.’

_DSC0584

Inspiratie bedoel je?
Han: ‘Nee, nee inspiratie is het startpunt. Uiteindelijk moet je er iets van maken wat boven je inspiratie uit moet stijgen. Ik stel het me zo voor: straks studeren ze af, zo’n dertig mensen aan de Willem de Kooning. Die komen vrij en dan gaan ze dit soort werk doen. Er zijn zes academies, dus heb je het over 180 mensen die illustratie doen. Over tien jaar heb je 1800 man! Je moet zo goed zijn dat je er bovenuit stijgt. Je moet iets brengen wat eigen is. Dat kun je alleen maar als je heel erg veel investeert in je werk, als je goed nadenkt over wat je aan het doen bent. En als je begrijpt wat je aan het doen bent. Als je dat niet kunt, moet je hopen dat je een supertalent bent. Die zijn er ook. Maar dan nog: als je er iets mee wilt worden, zul je erin moeten investeren.’

Hard werken?
Han: ’Vooral ook geraakt worden door wat je doet. En dat heeft volgens mij met concept te maken. Als je alleen maar leuk tekent, heb je daar op een gegeven moment genoeg van. Dan doet het je niks en dan doet het andere mensen ook niks. Mijn ideaalbeeld bij concept is dat je alert bent op de wendingen die ontstaan in je werk, dat je die uitbreidt en dat je voortdurend op zoek blijft naar wat iets voor jou is om te doen, in plaats van te wachten op opdrachten.’

Heb jij dat ook meegekregen toen jij op de Willem de Kooning zat?
Han: ‘Mwah. De docenten aan wie ik de meeste herinneringen heb, waren wel de meest mysterieuze docenten. Degenen die de meeste vragen opriepen, meer dan dat ze uitlegden wat nu goed of slecht was. Niet de lessen die je kreeg in de eerste jaren. Aquarelleren bijvoorbeeld. Als je daarmee te lang doorgaat, wordt het een modderbende, dat is techniek die je leert. Je hebt docenten die dat beter konden geven dan andere. Maar ik heb ook les gekregen van docenten die een heel uur van alles vertelden waar je eigenlijk helemaal niets van begreep. Die heb ik onthouden.

‘Het allerbelangrijkste van het creatieve vak is altijd datgene waar je niks over kunt zeggen, want je weet niet precies hoe het werkt’

Het allerbelangrijkste van het creatieve vak is altijd datgene waar je niks over kunt zeggen, want je weet niet precies hoe het werkt. Bij de een werkt het heel goed als hij heel strak wordt gehouden, een ander heeft drugs en weet ik wat nodig om ergens toe te komen. Maar je kunt niet zeggen: dagelijks zes flessen whisky en dan komt het wel goed. Je kunt geen formule van tevoren bedenken. Dus degene die dit wil doen moet gaan bedenken hoe het zit bij hemzelf. Tegelijkertijd heb je met heel jonge mensen te maken die nog bij hun ouders wonen. En dan denk ik: ga nu eerst maar ergens wonen en kijken of je je geld kunt verdienen. Je wilt ook weer niet al te zwaar gaan zeuren dat ze zo moeten nadenken…’

www.hoogerbrugge.com

De volledige inhoud is © 2014 Hans Frederiks, tenzij anders aangegeven.

6 thoughts on “Han Hoogerbrugge: ‘Interactiviteit doet iets met mensen’”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.