Luis Mendo: ‘Je wordt rijker van doorgeven dan van doorverkopen’

Dit interview met Luis Mendo maakte ik in 2010 en het verscheen in Dzone 132.

GOOD Inc. is de kleine eenmanszaak van Luis Mendo, een uit Spanje afkomstige ontwerper en artdirector. Als bladenmaker heeft Luis brede ervaring met editorial design, een vak dat vrijwel altijd in teamverband wordt uitgeoefend. Reden voor Luis om zijn studio als een netwerk te organiseren: The Goodfellas Network. De harde kern van dit netwerk wordt gevormd door de mensen met wie hij zijn studio deelt. De rest van het netwerk bestaat uit een groep creatieve professionals verdeeld over de hele wereld, ieder met zijn of haar eigen talent en kunde. Dzone sprak uitgebreid met Luis, over zijn ideeën over vormgeving, het Goodfellas Network en over het digitaal publiceren van onder andere magazines. Hoe moet je de enorme stroom digitale informatie tot je nemen?

Luis Mendo komt uit Salamanca, een universiteitsstadje 200 kilometer bij Madrid vandaan, net zoiets als Groningen, met veel studenten. Salamanca is een stadje waar je niet al te lang moet blijven zitten, want er is niet veel industrie en werk te vinden. Hij deed daar een opleiding, die je kunt vergelijken met wat hier de grafische school is. Het laatste jaar deed hij zijn afstudeerproject in Groningen.

Luis Mendo: ‘Ik wilde eigenlijk grafisch ontwerpen op de Rietveld doen, maar ze vonden mijn werk te illustratief, ze wilden liever iemand die meer met typografie bezig was. Ik vond het toen ook wel prima, het was makkelijker als buitenlander om je weg te vinden in een kleine stad, makkelijker dan meteen in Amsterdam. Ik had geen studiebeurs, ik moest werken en ik heb daar allerlei baantjes gehad. Ik heb op kinderen gepast, Spaanse les gegeven, huizen geschilderd, enzovoort. Daarna heb ik in Barcelona twee jaar gewerkt bij verschillende bureaus, onder andere bij een bureau – Cases i Associats – dat voor diverse kranten werkte. De helft van de mensen bij dat bureau bestond uit journalisten, de andere helft uit ontwerpers. Je zat dus samen de hele dag aan een krant of tijdschrift te werken. Je werkte de hele tijd samen met mensen van de inhoud. Dat vond ik geweldig om te doen.’

‘Als je aan bladen of kranten werkt, is inhoud het belangrijkst. De vorm staat in dienst van de inhoud’

‘Je kon de hele tijd ook met de inhoud bezig zijn en niet met vorm alleen. Achteraf gezien ben ik daar erg blij mee. Veel vrienden van me hebben bij vormgevingsbureaus gezeten en ik merk het verschil dat het bij hen vaak minder om de inhoud gaat. Als je aan bladen of kranten werkt, is inhoud het belangrijkst. De vorm staat in dienst van de inhoud. Als je echt met vormgeving – bijvoorbeeld huisstijlen – bezig bent, dan ben je aan het begin met de inhoud bezig, bijvoorbeeld voor een logo, en daarna is het meer vorm. Bij editorial design ben je altijd met het verhaal bezig en de vorm helpt of versterkt het verhaal. Vorm an sich vind ik niet erg interessant.’

Na een paar jaar belandde je weer in Nederland. Waarom?
‘Ik vond de taal fijn, ik had er gestudeerd, maar ik vond vooral de manier van omgaan door klanten met ontwerpers heel fijn vergeleken met Spanje. Ik had een verhaal gehoord van Neville Brody, die in Barcelona was gaan wonen en daar helemaal gek werd. Van klanten die niet betaalden, slordigheid met afleverdata, enzovoort. Ik heb het nu wel over de jaren tachtig, nu is het veel beter. Ik vond het fijn in Nederland. Als iemand zei dat het dinsdag zou worden afgeleverd, dan was het ook dinsdag en niet woensdag is ook goed. In Nederland werd ook beter betaald en werd het serieus genomen als vak. In Spanje was je degene die het verhaal misschien een beetje opvrolijkte, maar je had er niet veel te zeggen. In Groningen ging ik weer werken bij digiTaal, waar ik eerder ook had gewerkt.’

‘Ik vind tijdschriften het leukst om vorm te geven’

‘Ze leerden me werken met de Mac en daar mocht ik ook gaan ontwerpen. Na anderhalf jaar openden ze een kantoor in Amsterdam en vroegen ze mij of ik het kantoor in Amsterdam wilde proberen. Niet het runnen zelf, dat deed ik samen met de projectmanager. Ik vond het geweldig. Avontuur, op zoek naar klanten. We kregen helaas niet genoeg klanten en het kantoor in Amsterdam ging dicht, maar ik wilde toen niet meer terug naar Groningen. Amsterdam was veel te leuk! Toen las ik net een artikel over designbureau Lava en ik ben daar gewoon gaan solliciteren. Toevallig was iemand net weggegaan en ik werd meteen aangenomen. Ik had ook ervaring met het maken van tijdschriften en met het werken met klanten, dat sprak ze blijkbaar aan, of misschien was het mijn zuidelijke, illustratieve benadering van design.’

Je werkt heeft inderdaad twee kanten: je grafische ontwerpen en je illustratieve werk…
‘Ik ben via via in het ontwerpen beland. Eigenlijk ben ik tekenaar, illustrator, ik houd van strips. Het ontwerpen was een natuurlijk zijspoor, maar het tekenen heb ik nooit kunnen laten. Misschien dat ik daarom tijdschriften ook het leukst vind om vorm te geven. In een strip heb je altijd een verhaal, de inhoud en vorm, de tekening. Voor mij zit het onlosmakelijk aan elkaar vast. Je hebt geen inhoud zonder vorm en andersom.

Had je niet liever striptekenaar willen worden?
‘Ach, ik ben niet zo’n goede tekenaar. Ik vind mezelf niet goed genoeg…’

Maar dat is toch niet zo erg! Misschien onderschat je jezelf. Er zijn zat striptekenaars die door de combinatie van inhoud en beeld prachtige dingen maken. Ze hoeven niet allemaal Moebius te zijn…
‘Ja, maar toch, op een of andere manier lukt het me niet helemaal. Ik doe wel pogingen. Ik heb het project de City Reporter, waarbij ik naar een stad ga en waar ik een keuze maak van de plekken die ik interessant vind. Die voeg ik samen in een soort persoonlijke, eigen stadsgids, tekst en tekeningen. Ik heb er nu vijf gemaakt: Tokio, Parijs, Londen, Amsterdam en onlangs van de Westergasfabriek, voor de VARA-gids. Ik vind dat heel leuk om te doen, maar het is nog geen verhaal. Het is een geïllustreerde gids, geen strip, maar het voelt wel een beetje zo.’

Hoe maak je ze?
‘Ik was in Tokio op sabbatical voor drie maanden en toen ik terugkwam ontmoette ik Joachim Baan, van Tenue de Nîmes in Amsterdam. Hij heeft het krantje Journal de Nîmes en vroeg: kun je daar niet iets over Tokio voor doen met de tekeningen die je daar hebt gemaakt? Ik had een soort dagboekje bijgehouden. Dat eerste city report werd een succes en mensen zeiden: dat moet je vaker doen. De volgende werd dus Parijs. De laatste stad was Londen en de volgende wordt misschien New York. Je doet het uit liefde, want het is erg veel werk. Je zwerft twee, drie dagen door een stad en je gaat snel van het een naar het ander. In Parijs was mijn vrouw meegegaan, maar naar London moest ik maar alleen gaan. Ze kon op deze manier niet van de stad genieten. Het is hollen. Maar ik blijf het leuk vinden, omdat mijn tekeningen worden gepubliceerd en omdat er iets van een verhaal in zit. Iedereen die ik het vertel, is heel jaloers! Het klinkt leuk, het is leuk, maar het is wel heel veel werk.’

Terug naar Lava. Wat heb je geleerd bij Lava wat je nog niet kon?
‘Oef. Veel. Mijn eerste grote opdracht was voor Philips. Er waren daar vijf verschillende afdelingen die gingen fuseren en dan moesten wij een visuele cultuur voor ontwikkelen. Ik wist niet wat ik meemaakte. Een wat ??? Na drie keer uitleggen snapte ik het nog steeds niet. Het was een interne huisstijl, een intern tijdschrift, een congres en daar moesten we alles voor maken. Dat soort dingen hebben we heel regelmatig gedaan. Ik heb er beter creatief leren denken. Creatief denken is iets wat je uit jezelf al wel kan, maar je kunt er ook technieken voor gebruiken, met brainstorms, om goede ideeën te krijgen. Ik heb bij Lava ook een bedrijf leren runnen.’

Begin 2000 ben je uiteindelijk voor jezelf gaan werken. Waarom?
‘Ik was er enorm aan toe. Omdat Lava zoveel jaar zo intensief was geweest, wilde ik een nieuwe stap maken. Omdat ik had gezien hoe heftig het was om een bedrijf met vijftien mensen te runnen, had ik voor mezelf duidelijk: dat wil ik in ieder geval niet. Mijn grote voorbeeld was Sagmeister, zijn ideeën over het runnen van een bedrijf. Alle designbureaus gaan uiteindelijk stuk. Iemand begint in zijn eentje een bureau. Dan komt er nog iemand bij en nog een en dan een dtp’er, een projectmanager en voor je het weet ben je met twintig, dertig of vijftig mensen en dan ben je alleen nog bezig om al die mensen aan het werk te houden. Hij vertelde dat hij vanaf dag één zijn studio klein wilde houden. Hij koos daarom ook een ruimte die fysiek heel klein was. Er pasten maar drie mensen in: hij, zijn assistent en een stagiair.’

‘Voor je het weet ben je met twintig, dertig of vijftig mensen en dan ben je alleen nog bezig om al die mensen aan het werk te houden…’

‘Als ze te veel opdrachten krijgen, zegt hij: we zitten vol. Dat ben ik dus zo gaan doen. Maar na twee, drie jaar bleek dat er nog een derde weg was, niet de weg van groter worden of zo klein blijven en klussen afzeggen, maar de weg van het netwerk. Elke nieuwe opdracht die ik kreeg en niet aankom, ging ik doorschuiven. Naar andere kleine bedrijfjes die ik ook goed vind. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het Goodfellas Network. We zijn allemaal klein. Hier bij ons zijn we met z’n vieren. We zijn alle vier illustratoren. De een is illustrator/ontwerper, de ander illustrator/programmeur, en je kunt heel makkelijk klussen doorschuiven en verdelen. Een tijdschrift heeft altijd veel disciplines in zich. Voor mij werkt het heel goed. Zakelijk gezien zeggen mensen dat het slecht werkt, want je bouwt niets op. Geen bedrijf dat je over tien jaar kunt verkopen. En ik krijg geen percentages, geen “fees” voor de klussen die ik doorschuif. Maar ik geloof niet dat je van dat soort dingen rijk wordt. Je wordt er armer van. Je wordt rijker van het doorgeven, dan van het doorverkopen. En daarom doe ik het zo. Dat is mijn businessmodel en ik kan je vertellen: het gaat heel goed.’

Laten we het over digitaal publiceren hebben. Iedereen probeert op dit moment uit te zoeken hoe dat moet.
‘Ik geloof niet dat we een mooiere tijd kunnen meemaken dan deze. Het is zo verschrikkelijk spannend, we zitten op een punt waarbij niemand precies weet wat er gaat gebeuren. Niemand weet hoe het precies moet. Er zijn zoveel mogelijkheden. Ik wil graag zien dat men gaat experimenteren en van alles gaat uitproberen. Op den duur komen we er wel, maar nu is het nog onzeker. Ik denk niet dat er al iemand is die de oplossing voorhanden heeft.’

Je weet nog niet wat de tools zijn die je moet gebruiken en wat de vorm is waarop je gaat lezen en hoe je met verschillen in content moet omgaan. Toen jij mij Flipboard (een app op de iPad, die onder andere een twitter-stream laat zien als leesbare, vormgegeven ‘pagina’s’) liet zien: fantastisch. Je kunt nu bladeren in de links van je tweets.
‘In mijn eigen ideeën over een ‘screenmagazine’ is de manier van Flipboard tot nu toe het beste. Het ontwerp van Flipboard is vast. Het ziet er goed uit, een beetje neutraal. Het gaat dus niet om de vorm, als het maar goed leesbaar is, en het gaat ook niet om wie het precies zegt, maar om wat je zegt. Dat is iets waarop ik ook altijd hamer bij klanten en collega’s: wat ga je vertellen, waar gaat het over? Het mooie van Flipboard is dat je alleen het verhaal ziet. Je ziet wel heel klein wie het getweet heeft, maar je kijkt naar waar het verhaal over gaat.’

‘Dat is iets waarop ik ook altijd hamer bij klanten en collega’s: wat ga je vertellen, waar gaat het over?’

Maar dat is dus content die ‘on the fly’ wordt aangeboden via twitter of op het internet. Je hebt ook de gedrukte media, die ook allemaal online een screenzine willen, heel anders dan wat Flipboard doet.
‘Het moet niet zo heel anders. Eigenlijk is Flipboard een soort winkel, waar je naartoe gaat om iets te gaan lezen, en dan zijn er allerlei producten uit de hele wereld die je daar kunt krijgen. Alles wordt onder één kapstok gedaan. Dat is wat Flipboard doet. Als jullie (Dzone, H.F.) bijvoorbeeld een app zouden aanbieden, moet je zorgen voor twee dingen: je merk moet heel erg sterk zijn. Net zoals Albert Heijn een erg sterk merk is, heel anders dan wat Aldi uitstraalt. En de producten die je levert moeten allemaal deugen. De rest moet die twee dingen ondersteunen. Dus het ontwerp, de manier waarop het gedrukt is, de kwaliteit van het schrijven, voor het scherm dat de interface goed is: al die aspecten moeten het merk beter maken en ervoor zorgen dat de inhoud beter naar voren komt.’

Moet je de inhoud van de papieren Bright, Dzone of NRC één op één omzetten naar het scherm, maar digitaal?
‘Je kunt dat niet één op één doen. Je moet per medium gaan kijken hoe je dat doet. Neem het interview met Hanazuki in de vorige Dzone. Dat is een interview. Dat zou ik willen kunnen horen – dat zou je kunnen doen: als geluidsstroom erbij. Ik zou zeggen: bied het interview aan als geluid, en terwijl je dat interview hoort, wil ik wel door de plaatjes in de portfolio bladeren. Maar van “De studio van Han Hoogerbrugge” zou ik het liefst een video willen zien. Ik wil dan bijvoorbeeld zien hoe hij tekent. “Versch werk” zou je kunnen zien als slideshow. Een column zou ik weer wel willen lezen op het scherm. Maar misschien wil je de columnist wel horen of zien. Dat kan ook. Voor mij is dát de toekomst van de digitale bladen. Je kijkt per soort inhoud wat je ermee gaat doen.’

Voor een deel kan ik met je meegaan. Maar het interview dat wij nu hebben, ga ik uitwerken en rangschikken. Het is natuurlijk ook leuk om het te horen, maar ik kan het veel sneller lezen dan dat ik het hele interview kan horen. Ik lees het in tien minuten, wij zitten al meer dan een uur te praten.
‘Het zou kunnen zoals ik het zonet beschreef, maar het hoeft niet. Ik begrijp de toegevoegde waarde van het bewerken van een interview. Van het monteren en knippen en plakken. Wat ik wil zeggen is dat de sprong van papier naar scherm niet één op één is.’

Precies! Maar dat is dus wel wat Wired probeert in zijn editie voor de iPad. Dat is een tijdschrift één op één overgezet naar een digitale variant voor de iPad.
‘Bij een gedrukt tijdschrift ga je mee met wat de technologie – drukken, papier, enzovoort – je oplegt. Met de versie voor de iPad gebruiken ze de mogelijkheden, de technologie die de iPad ze biedt helemaal niet. Het is drukwerk, maar dan omgezet naar de iPad. Maar neem me niet al te letterlijk. Ik weet ook niet precies wat de oplossing is. Ik vind wel dat je gebruik moet maken van de technologie, van de mogelijkheden die bijvoorbeeld de iPad je biedt. Geluid, bewegend beeld, enzovoort. Je moet alleen nooit uit het oog verliezen waar het verhaal over gaat. Bij een interview moet je bedenken dat het om twee mensen gaat, waarbij de een een vraag stelt en de ander antwoordt, je moet kijken hoe je dat kunt versterken. Op het scherm en op het papier. Een interview maak je op papier ook anders op dan bijvoorbeeld een column. Die behandeling wil ik online ook zien.’

Meer info
Voor meer info over Luis Mendo en zijn bedrijf GOOD Inc. kijk je op:
www.goodinc.nl

De volledige inhoud is © 2014 Hans Frederiks, tenzij anders aangegeven.

Leave a Reply